Een stapje hoger

Adelsbrief Arnold Costerius

Gemeentearchief Weert
oud-Administratief Archief Weert inv. nr. 3558


 

Adelsbrief Arnold Costerius 4 april 1678
De familie Costerius kwam oorspronkelijk vanuit de omgeving van 's-Hertogenbosch. In Weert vervulden de leden vanaf 1638 het ambt van rentmeester van de heer van Weert. Vanaf 1654 combineerden ze die functie met het schoutambt. Het aanzien van de familie Costerius steeg daarmee aanzienlijk. Wat nog ontbrak was een adellijke titel.
Daarom liet Arnold Costerius zich in 1678 door keizer Leopold I in Wenen in de adelstand verheffen. Hij moest daar wel de nodige moeite voor doen, én betalen.
Schriftelijk werd alles vastgelegd in dit diploma van 4 april 1678. Voortaan mocht Arnold zich naar zijn hof op Boshoven,  "Costerius de Boschhoven" noemen.
 

 

 

Tekst adelsbrief van Arnold Costerius

Utque huius Nobilitatis tuae
num quoque quod in oculos hominum clarius
incurrat, documentum exstet praedicta nostra authoritate Caesarea tibi ac postertati tuae legitimae universae masculinae et femininae non solum antiqua tua quibus hactenus usus fuisti armorum insignia clementer approbavimus ac ratifica vimus, verum etiam ex speciali quadam in te gratia auximus et locupletavimus pro ut tenore praesentium eadem approbamus.

Vertaling

En opdat de status van Uw adeldom in de ogen van de mensen nog meer glans krijgt,  hebben wij als uiterlijk bewijs hiervoor krachtens ons voornoemd Keizerlijk gezag voor U en al Uw wettelijke mannelijke en vrouwelijke nazaten niet alleen het oude wapen van U dat u tot nu toe gebruikt hebt welwillend goedgekeurd en bekrachtigd , maar hebben het ook - uit een zekere speciale sympathie jegens U - uitgebreid en verrijkt, gelijk wij ook de goedkeuring verlenen aan het wapen, zoals dat nu is vastgesteld.

Bron:
Gemeentearchief Weert
oud-Administratief Archief Weert inv. nr. 3558

Archiefbibliotheek
Jaarboek 1990-’91, Weert in woord en beeld,  Jos F.A. Wassink, Bijna anderhalve eeuw  schouten in Weert (1654-1795 ): een geschiedenis van de familie Costerius, pagina 111-136.